Home Budgetkleding.com hoofdpagina
|
Budget kleding ditjes en datjesONDERZOEK NAAR DE KOSTEN VAN KINDEREN IN GROTE GEZINNENHoofdstuk 1 Inleiding Er is in Nederland weinig bekend over grote gezinnen. In bijvoorbeeld de Budgetonderzoeken van het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn deze huishoudens onvoldoende vertegenwoordigd om daaruit gegevens te krijgen. De budgetonderzoeken, die gebruikt worden voor de berekening van de kosten van kinderen (of de equivalentiefactoren) geven voldoende aantallen huishoudens voor ιιn, twee of drie kinderen. Voor vier of meer kinderen zijn geen betrouwbare gegevens beschikbaar. Uit de bevolkingsstatistieken van het CBS blijkt dat het aantal huishoudens met vijf of meer personen rond de 445.000 schommelt en dat voor 2001 een stijging werd geraamd. Zie onderstaande tabel. Tabel 1 Aantal particuliere huishoudens met vijf of meer personen Jaar Aantal huishoudens 1995 440.615 1996 445.231 1997 445.484 1998 445.744 1999 444.132 2000 445.729 2001 449.530 Bron: CBS, Statline, 2002 1.1 Achtergrond Grote gezinnen hebben altijd bestaan. Zon eeuw geleden kwamen gezinnen die we nu definiλren als groot veel frequenter voor dan tegenwoordig. Vrouwen kregen in die tijd gemiddeld ruim drie kinderen. Sinds die tijd is het gemiddelde aantal kinderen alleen maar gedaald, met uitzondering van de naoorlogse geboortegolf. In de tweede helft van de twintigste eeuw werd het gezin met twee kinderen geleidelijk de norm. Dit ging uiteraard ten koste van het aantal grote gezinnen. Van de vrouwen geboren in 1935 kreeg bijna de helft drie of meer kinderen; van de vrouwen die tien jaar later geboren werden, kreeg nog maar een kwart een dergelijk nageslacht. Voor de toekomst geldt dat nog maar ιιn op de vijf vrouwen verwacht drie of meer kinderen te krijgen. Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) 2 blijkt dat momenteel grote gezinnen relatief veel voorkomen onder vrouwen van Marokkaanse of Turkse afkomst. Toch gaan deze vrouwen voor wat betreft hun kindertal steeds meer lijken op de autochtone vrouwen. Wanneer we naar kerkelijke gezindte kijken, valt op dat met name gereformeerden die veel naar de kerk gaan, vaker een groot gezin hebben. Wanneer men zichzelf tot een kerkelijke gezindte rekent, maar weinig naar de kerk gaat, lijkt er wat betreft het aantal kinderen weinig verschil te zijn met vrouwen die zich niet tot een bepaalde kerk rekenen. 2 CBS, Index, november 2001. In dit artikel definieert het CBS een groot gezin als een gezin met drie of meer kinderen. ________________________________________ Page 6 6 Voor wat betreft opleidingsniveau zijn er kleine verschillen. Vrouwen met een hogere opleiding kiezen iets vaker voor een groot gezin dan vrouwen met een lagere opleiding. Tot slot komen grote gezinnen vaker voor in landelijke gebieden dan in de meer stedelijke gebieden. Tegenwoordig ontstaan grote gezinnen ook doordat men na een scheiding een nieuwe relatie aangaat met een partner die ook al kinderen heeft uit een eerdere relatie. Daardoor ontstaan samengestelde gezinnen met veel kinderen. Er is wel bewust gekozen voor een groot gezin maar niet voor het feit dat de vrouw achterbleef met zes kinderen. Er is wel weer bewust gekozen voor twee kinderen in een nieuwe relatie. Dus er zijn in totaal acht kinderen. Doel van het onderhavige onderzoek is inzicht te krijgen in de financiλle positie van grote gezinnen. Onder een groot gezin wordt in dit onderzoek een gezin met vier of meer kinderen verstaan. Waar mogelijk zal een vergelijking worden gemaakt met andere huishoudens, bijvoorbeeld via de Budgetonderzoeken van het CBS. Naast de financiλle positie komen ook andere zaken aan de orde zoals het financieel beheer, tijdsbesteding en taakverdeling, omgaan met geld en dergelijke. Onderzoeksvragen zijn: - Wat zijn de kosten van kinderen in huishoudens met meer dan drie kinderen? De kosten worden berekend volgens de budgetverdelingsmethode. Deze methode wordt ook door het CBS gebruikt voor het berekenen van de kosten van kinderen. - Uit het recente theoretische onderzoek van het NIBUD in samenwerking met de Sociale Alliantie bleek dat grote gezinnen met een laag inkomen een koopkrachtnadeel ondervinden ten opzichte van kleinere huishoudens. In dit onderzoek wordt gekeken naar alle inkomensgroepen. Vraag is of de koopkracht van grote gezinnen lager is dan andere typen van huishoudens? - Zo ja, hoe gaan die gezinnen daar mee om? - Hoe wordt in grote gezinnen omgegaan met geld? Denk aan het financieren van een grote uitgave, sparen enzovoort. In de rest van dit hoofdstuk behandelen we eerst de dataverzameling. Vervolgens wordt ingegaan op de manier waarop de data zijn geschoond. Tot slot volgt de leeswijzer voor de rest van het rapport. 1.2 Dataverzameling De data zijn verzameld door middel van een schriftelijke enquκte. De respondenten zijn op verschillende manieren gezocht. 1. Via de contactgroep Groot Gezin. Op de website van deze contactgroep is een oproep geplaatst om mee te werken aan het onderzoek. Ook in het tijdschrift van deze contactgroep heeft een oproep gestaan. 2. Via oproepen in de landelijke pers: Nederlands Dagblad, Reformatorisch Dagblad en Telegraaf. Daarnaast heeft de oproep in een aantal andere (lokale) bladen gestaan. 3. Via de internetsite van het NIBUD. ________________________________________ Page 7 7 Gezinnen die interesse hadden om deel te nemen aan het onderzoek konden zich schriftelijk aanmelden. Men kon zich ook via de internetsite van het NIBUD opgeven. De laatste groep kreeg de link naar de elektronische vragenlijst per e-mail toegestuurd, en kon de vragenlijst via Internet invullen en terugsturen. Degenen die niet over internet beschikten kregen de vragenlijst schriftelijk toegestuurd. In totaal hebben zich 459 gezinnen aangemeld waarvan 303 gezinnen via internet en 156 schriftelijk. Grote gezinnen zijn een zeer specifieke doelgroep. Bij een aantal vragen - met name met betrekking tot de financiλle positie - bestond het gevaar dat men niet naar beste weten zou antwoorden, maar dat men de situatie zou kunnen overdrijven. Om daarmee aandacht voor de eigen groep te vragen. Door het bestand te schonen en door controlevragen op te nemen, is dit effect zo veel mogelijk vermeden. De gegevens over de inkomsten en uitgaven van de huishoudens zijn verzameld aan de hand van een vragenlijst. De uitgaven zijn gevraagd op een hoog aggregatieniveau. Er is bijvoorbeeld gevraagd naar de gehele post inventaris en naar het totaal aan huishoudgeld. Dit is een andere manier van dataverzamelen dan bijvoorbeeld die van het CBS. Het CBS past voor dit soort uitgaven de registratiemethode toe: huishoudens noteren voor een bepaalde periode hun (kleine) uitgaven gedetailleerd. Andere onderzoeken van het NIBUD (bijvoorbeeld onder meerlingen en allochtonen) hebben evenwel uitgewezen dat de uitgaven die via een vragenlijst zijn bevraagd een goed beeld geven in vergelijking met de door het CBS gepubliceerde uitgaven. 1.3 Onderzoekspopulatie en respons Van de 459 gezinnen die zich hebben aangemeld en de vragenlijst hebben ontvangen, hebben 230 gezinnen de vragenlijst ingevuld teruggestuurd aan het NIBUD. De respons was daarmee 50 procent. De belangrijkste redenen van non-respons waren: de vragenlijst was te lang, de vragen waren te gedetailleerd of er was een gebrek aan tijd om de lijst in te vullen. Na schoning van de vragenlijsten blijven in totaal 216 respondenten over waar de analyses op plaatsvinden. Naast kinderen in het huishouden is gevraagd naar hoeveel kinderen er nog buiten het gezin financieel afhankelijk zijn. Voor sommige resultaten zijn de inwonende kinderen en financieel afhankelijke uitwonende kinderen bij elkaar opgeteld. Het aantal kinderen varieert van vier tot twaalf. De verdeling van het aantal kinderen van de respondenten staat in tabel 2. Onze oudste zoon betaalt zijn eigen studie en kleren met zijn beurs en bijbaantje. Hij woont nog thuis en hoeft geen kostgeld te betalen, maar wij dragen ook niet bij aan zijn studie. Zodra hij op kamers gaat, krijgt hij net als onze oudste dochter een bijdrage. Thuis wonen betekent op onze kosten leven en geen bijdrage ontvangen. Als ze op kamers gaan, krijgen ze wel een bijdrage. Dit hebben we in goed overleg vastgesteld. ________________________________________ Page 8 8 Tabel 2 Aantal respondenten en aantal kinderen van het huishouden Aantal kinderen* Aantal ontvangen vragenlijsten 4 113 5 54 6 20 7 10 8 8 9 7 10 1 11 2 12 1 Totaal 216 * Bedoeld zijn inwonende en financieel afhankelijke uitwonende kinderen Aangezien er slechts een beperkt aantal huishoudens heeft deelgenomen met zes of meer kinderen zijn deze respondenten samengevoegd in ιιn categorie. De categorieλn die in de verdere analyse worden onderscheiden zijn dan ook: gezinnen met vier kinderen (113), gezinnen met vijf kinderen (57) en gezinnen met zes of meer kinderen (49). In het volgende hoofdstuk wordt bij een aantal analyses onderscheid naar lage en hoge inkomens gemaakt. Daarbij is de groep van vijf kinderen en zes of meer kinderen bij elkaar gevoegd; dit om te kleine groepen van respondenten te voorkomen. 1.4 Schoning van de data Het databestand is op de volgende manieren geschoond: In de dataset is een aantal dubbele respondenten gevonden omdat men de vragenlijst meermalen teruggemaild had. Dubbele vragenlijsten zijn verwijderd. Vreemde getallen en inconsistenties zijn gecorrigeerd. Met name bij het gedeelte over inkomsten en uitgaven zijn inconsistenties gevonden. Regelmatig was de periode van het ingevulde bedrag foutief aangegeven. Dit is waar mogelijk gecorrigeerd. Alle vreemde getallen en inconsistenties die niet meer herleid konden worden, zijn op missend gezet. Wanneer de respondenten bepaalde inkomsten of uitgaven niet wisten, is dit door hen gemarkeerd met een vraagteken of door onbekend in te vullen. Bij het schonen zijn deze onbekende waarden op missend gezet. Variabelen waarbij niets is ingevuld, maar waarbij er vanuit mag worden gegaan dat 0 wordt bedoeld, zijn gecorrigeerd naar -0,01. Op die manier tellen deze missende waarden toch mee wanneer er een optelling van de data plaatsvindt. Er is bij vragen waarbij men een getal moest invullen, gecorrigeerd voor uitschieters. Na schoning van de data zijn in totaal 216 vragenlijsten overgebleven voor analyse. ________________________________________ Page 9 9 Tot slot nog een opmerking over de presentatie van de data. Daar waar het logisch is dat iedereen een bepaalde uitgave doet, zoals telefoon, woonlasten en huishoudgeld, zijn de respondenten die daar een 0 hebben ingevuld, niet meegeteld: de waarde is op missend gezet. Bij uitgavenposten die niet iedereen heeft, zoals alimentatie en autokosten, zakgeld en kleedgeld, wordt het gemiddelde vervolgens berekend zowel over mensen die de uitgave wel hebben als over de mensen die de uitgave niet hebben (inclusief 0). De waarde is daar op 0,01 gezet. 1.5 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de inkomsten en uitgaven van de grote gezinnen. De resultaten worden daar in verschillende begrotingen gepresenteerd. In hoofdstuk 3 volgen de berekeningen van de kosten van kinderen. Bekeken wordt welke uitgaven of welk deel van de uitgaven kunnen worden toegerekend aan de kinderen. Dit gebeurt op basis van verdeelsleutels die ook het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) hanteert. Hoofdstuk 4 bevat de overige resultaten van het onderzoek. Aan de respondenten van dit onderzoek zijn onder andere vragen voorgelegd over financieel beheer, taakverdeling en tijdsbesteding. In het vijfde hoofdstuk worden de uitgaven van grote gezinnen vergeleken met de uitgaven van kleinere huishoudens. Het laatste hoofdstuk tot slot bevat de belangrijkste bevindingen van het onderzoek ________________________________________ Page 10 10 Hoofdstuk 2 Inkomsten en uitgaven 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden voor de inkomsten en uitgaven gemiddelde bedragen in begrotingen weergegeven. Per uitgavenpost worden de resultaten op twee wijzen gepresenteerd: eerst naar aantal kinderen in het huishouden; vervolgens wordt ook een onderscheid gemaakt naar inkomenscategorie. Zoals in het vorige hoofdstuk is beschreven, is een onderscheid gemaakt tussen huishoudens met vier kinderen, huishoudens met vijf kinderen en huishoudens met zes of meer kinderen. In dit tweede hoofdstuk wordt daar onder verstaan zowel inwonende als financieel afhankelijke uitwonende kinderen. In dit hoofdstuk kan een gezin met vijf kinderen dus zowel vijf inwonende kinderen hebben als een deel inwonende kinderen en een deel financieel afhankelijke uitwonende kinderen. Hoofdstuk drie, waarin de kosten van kinderen berekend worden, wijkt op dit punt af. Dan kijken we namelijk alleen naar huishoudens met inwonende kinderen. De huishoudens die financieel afhankelijke kinderen hebben buiten het huishouden, worden daar buiten beschouwing gelaten. Dit om een vergelijking te maken met de berekeningen van het CBS 3 . Bij de berekening van de kosten van kinderen door het CBS worden alleen de kinderen meegenomen die thuiswonen en waarvoor de ouders kinderbijslag ontvangen. De volgende tabel geeft een overzicht van de leeftijden van de inwonende kinderen. In verband met de te berekenen kosten van kinderen is het van belang een inzicht in deze verdeling te hebben, omdat de kosten van kinderen kunnen samenhangen met de leeftijd van de kinderen. In hoofdstuk 3 zullen ook de kosten van kinderen worden berekend afhankelijk van de leeftijd van het oudste kind in het huishouden. Tabel 3 Verdeling van de leeftijd van de inwonende kinderen in het onderzoek leeftijd 4 kinderen 5 kinderen 6 of meer kinderen Tot 3 jaar 12 12 6 46 jaar 19 17 15 79 jaar 21 19 17 1012 jaar 18 20 21 1315 jaar 15 17 17 1618 jaar 10 10 14 1921 jaar 4 4 4 Ouder dan 22 jaar 1 1 4 Totaal 100 100 100 3 J.M.P. Schiepers, A.A.M.W. van Gessel-Dabekaussen en A.J. Elkink, Equivalentiefactoren volgens de budgetverdelingsmethode, ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag, 1993. Zie ook: CBS, Kosten van kinderen, Voorburg/Heerlen, 1986, en: CBS, Equivalentiefactoren 1990-1995. ________________________________________ Page 11 11 We maken een onderscheid in huishoudens met een relatief laag inkomen en huishoudens met een relatief hoog inkomen. Op basis van het opgegeven totaal besteedbaar inkomen zijn in het oorspronkelijke bestand twee even grote groepen gemaakt, gezinnen met een laag inkomen en gezinnen met een hoog inkomen. Onder totaal besteedbaar inkomen vallen alle inkomensbestanddelen, dus ook kinderbijslag, huursubsidie, tegemoetkoming schoolkosten en dergelijke. Het omslagpunt ligt bij 3.312 euro per maand. De huishoudens die in de groep laag inkomen vallen, hebben een maandinkomen tot en met 3.312 euro. De groep met een hoog inkomen hebben allemaal een besteedbaar inkomen boven deze grens. De grens is relatief hoog, maar valt te verklaren door tegemoetkomingen als kinderbijslag en tegemoetkomingen in de schoolkosten. Bij het onderscheid naar inkomen en aantal kinderen worden de huishoudens met vijf kinderen en zes of meer kinderen samengevoegd. Dit om te kleine groepen te voorkomen. Voor wat betreft de uitgaven wordt een onderscheid gemaakt in drie groepen. De eerste groep zijn de vaste lasten. Deze uitgaven doet men met een vaste regelmaat; ook ligt er vaak een contract aan ten grondslag. Voorbeelden zijn huur/hypotheek, energie en verzekeringen. De reserveringsuitgaven zijn uitgaven die niet regelmatig zijn, maar waar wel voor gereserveerd zou moeten worden, zoals inventaris, kleding en vakantie. Als laatste zijn er de huishoudelijke uitgaven, de dagelijkse uitgaven aan eten en drinken, huisdieren, persoonlijke verzorging en huishoudelijke hulp. Op basis van dit onderscheid in drie hoofdgroepen worden de resultaten in de volgende begrotingen gepresenteerd. Per hoofdcategorie worden de afzonderlijke uitgavenposten gepresenteerd. De post huishoudgeld wordt als ιιn post gezien, met dien verstande dat een aantal kleine onderdelen apart wordt gehouden: cadeaus ouders/kinderen, huishoudelijke hulp en het zak- en kleedgeld voor de kinderen. Dit omdat bij de berekening van de kosten van kinderen in hoofdstuk 3 deze posten op verschillende manieren aan de kinderen worden toegedeeld. 2.2 Begrotingen naar huishoudgrootte In de begrotingen staan de inkomsten en uitgaven bij elkaar. De inkomsten komen van diverse bronnen. We maken hier een onderscheid tussen: inkomen partner 1, inkomen partner 2, vergoedingen kinderen (zoals kinderbijslag en tegemoetkoming schoolkosten), en overige inkomsten (zoals huursubsidie, rente en teruggaaf belastingdienst). In de onderstaande tabel staat hiervan de verdeling naar aantal kinderen. Tabel 4 Inkomstenbronnen naar aantal kinderen in euro's per maand 4 kinderen 5 kinderen 6 en meer kinderen Inkomen partner 1 2249 2294 2408 Inkomen partner 2 488 295 216 Vergoedingen kinderen 331 433 615 Overige inkomsten 283 235 357 Totaal 3351 3257 3596 In de tabel op de volgende pagina staan de gemiddelde uitgavem per groep. ________________________________________ Page 12 12 Bij subsidies zoals tegemoetkoming schoolkosten vind ik dat er veel te weinig rekening wordt gehouden met de grootte van de gezinnen. Je krijgt vaak te horen: had je maar niet zoveel kinderen moeten hebben. Wij vragen ons echt af hoe mensen met een minder inkomen dat doen. Ik weet die krijgen dan wel weer steun van de Informatie Beheer Groep, maar dat dekt bij lange na niet de uitgaven. Tabel 5 Gemiddelde inkomsten en uitgaven grote gezinnen naar aantal kinderen in euros per maand 4 kinderen 5 kinderen 6 kinderen of meer Inkomen 3351 3257 3596 Vaste lasten Alimentatie 3 0 37 Huur/hypotheek 586 614 669 Energie 184 209 224 Heffingen 60 66 72 Telefoon (vast en mobiel) 69 68 70 Verzekeringen 254 283 312 Schoolkosten, kinderopvang 139 105 150 Abonnementen, lidmaatschappen 113 112 159 Vervoer auto 262 240 305 Vervoer overig 79 56 95 Bijdrage aan uitwonende kinderen 13 30 32 Reserveringsuitgaven Kleding ouders 80 61 54 Kleding kinderen 127 114 142 Inventaris 53 41 57 Onderhoud huis en tuin 56 41 63 Extra ziektekosten 39 39 45 Recreatie, vakantie, uitgaan 167 154 131 Huishoudelijke uitgaven Huishoudgeld 660 639 749 Huishoudelijke hulp 11 17 11 Cadeaus ouders 19 15 20 Cadeaus kinderen 32 35 41 Zakgeld 23 26 34 Kleedgeld 17 15 32 Totaal uitgaven 3046 2980 3504 Saldo 305 277 90 Aflossing (69) (82) (131) Sparen (146) (116) (135) N 113 54 49 ________________________________________ Page 13 13 Uit voorgaande tabel blijkt dat de meeste uitgavenposten toenemen naarmate het aantal kinderen toeneemt. Er zijn echter ook posten waaraan men minder uitgeeft wanneer men meer kinderen heeft. Dit zijn bijvoorbeeld kleding van de ouders en recreatie. De posten die onafhankelijk zijn van de gezinsgrootte, zijn bijvoorbeeld telefoon en de gemeentelijke heffingen. Ook de gemeentelijk heffingen zijn, afgezien van een- en meerpersoonshuishoudens, onafhankelijk van het aantal leden van een huishouden. Er zou wel variatie kunnen ontstaan door de waarde van de woning bij de onroerende-zaakbelasting. 2.3 Begrotingen naar inkomen In deze paragraaf worden de begrotingen gepresenteerd voor een aantal groepen grote huishoudens, te weten: een huishouden met een laag inkomen en vier kinderen; een huishouden met een laag inkomen en vijf of meer kinderen; een huishouden met een hoog inkomen en vier kinderen; een huishouden met een hoog inkomen en vijf of meer kinderen. Het omslagpunt tussen de lage en hoge inkomensgroep ligt op 3.312 euro besteedbaar inkomen per maand. ________________________________________ Page 14 14 Tabel 6 Huishouden met 4 kinderen, laag inkomen, in euro's per maand Budgetaandeel INKOMSTEN 2.558 UITGAVEN Vaste lasten Alimentatie 0 0,0 Huur/hypotheek 465 18,9 Energie 162 6,6 Heffingen 51 2,1 Telefoon (vast en mobiel) 64 2,6 Verzekeringen 168 6,8 Schoolkosten, kinderopvang 105 4,3 Abonnementen, lidmaatschappen 101 4,1 Vervoer auto 236 9,6 Vervoer overig 52 2,1 Bijdrage aan uitwonende kinderen 4 0,2 Reserveringsuitgaven Kleding ouders 60 2,4 Kleding kinderen 112 4,5 Inventaris 38 1,5 Onderhoud huis en tuin 33 1,3 Extra ziektekosten 32 1,3 Vakantie, recreatie, uitgaan 123 5,0 Huishoudelijke uitgaven Huishoudgeld 581 23,6 Huishoudelijke hulp 5 0,2 Cadeaus ouders 14 0,6 Cadeaus kinderen 31 1,3 Zakgeld 19 0,8 Kleedgeld 10 0,4 Totaal uitgaven 2.466 Aflossing ( 78) Sparen ( 89) N= 51 ________________________________________ Page 15 15 Tabel 7 Huishouden met 5 of meer kinderen, laag inkomen, in euro's per maand Budgetaandeel INKOMSTEN 2.418 UITGAVEN Vaste lasten Alimentatie 0 0,0 Huur/hypotheek 484 19,5 Energie 201 8,1 Heffingen 64 2,6 Telefoon (vast en mobiel) 60 2,4 Verzekeringen 222 9,0 Schoolkosten, kinderopvang 84 3,4 Abonnementen en lidmaatschappen 101 4,1 Vervoer auto 229 9,2 Vervoer overig 70 2,8 Bijdrage aan uitwonende kinderen 14 0,6 Reserveringsuitgaven Kleding ouders 41 1,7 Kleding kinderen 91 3,7 Inventaris 29 1,2 Onderhoud huis en tuin 27 1,1 Extra ziektekosten 40 1,6 Vakantie, recreatie, uitgaan 84 3,4 Huishoudelijke uitgaven Huishoudgeld 559 22,5 Huishoudelijke hulp 5 0,2 Cadeaus ouders 13 0,5 Cadeaus kinderen 29 1,2 Zakgeld 23 0,9 Kleedgeld 9 0,4 Totaal uitgaven 2.480 Aflossing ( 93) Sparen ( 73) N= 43 ________________________________________ Page 16 16 Tabel 8 Huishoudens met 4 kinderen, hoog inkomen, in euro's per maand Budgetaandeel INKOMSTEN 4.314 UITGAVEN Vaste lasten Alimentatie 0 0 Huur/hypotheek 757 19,7 Energie 211 5,5 Heffingen 74 1,9 Telefoon (vast en mobiel) 79 2,1 Verzekeringen 366 9,5 Schoolkosten, kinderopvang 164 4,3 Abonnementen en lidmaatschappen 135 3,5 Vervoer auto 341 8,9 Vervoer overig 109 2,8 Bijdrage aan uitwonende kinderen 18 0,5 Reserveringsuitgaven Kleding ouders 98 2,6 Kleding kinderen 146 3,8 Inventaris 71 1,9 Onderhoud huis en tuin 80 2,1 Extra ziektekosten 45 1,2 Vakantie, recreatie, uitgaan 237 6,2 Huishoudelijke uitgaven Huishoudgeld 783 20,4 Huishoudelijke hulp 19 0,5 Cadeaus ouders 25 0,7 Cadeaus kinderen 36 0,9 Zakgeld 27 0,7 Kleedgeld 15 0,4 Totaal uitgaven 3.836 Aflossing ( 67) Sparen ( 223) N= 41 ________________________________________ Page 17 17 Tabel 9 Huishoudens met 5 of meer kinderen, hoog inkomen, in euro's per maand Budgetaandeel INKOMSTEN 4.245 UITGAVEN Vaste lasten Alimentatie 35 0,9 Huur/hypotheek 781 19,9 Energie 229 5,8 Heffingen 72 1,8 Telefoon (vast en mobiel) 79 2,0 Verzekeringen 357 9,1 Schoolkosten, kinderopvang 168 4,3 Abonnementen en lidmaatschappen 165 4,2 Vervoer auto 321 8,2 Vervoer overig 81 2,1 Bijdrage aan uitwonende kinderen 49 1,3 Reserveringsuitgaven Kleding ouders 73 1,9 Kleding kinderen 158 4,0 Inventaris 64 1,6 Onderhoud huis en tuin 70 1,8 Extra ziektekosten 47 1,2 Vakantie, recreatie, uitgaan 179 4,6 Huishoudelijke uitgaven Huishoudgeld 825 21,1 Huishoudelijke hulp 22 0,6 Cadeaus ouders 23 0,6 Cadeaus kinderen 46 1,2 Zakgeld 36 0,9 Kleedgeld 37 0,9 Totaal uitgaven 3.917 Aflossing ( 109) Sparen ( 173) N = 49 ________________________________________ Page 18 18 Wanneer we de huishoudens uit de lage inkomenscategorie met elkaar vergelijken, valt op dat naarmate er meer kinderen zijn, er minder wordt uitgegeven aan de posten kleding van de ouders en kinderen, recreatie en het huishoudgeld. Uitgaven aan kleding en recreatie maken deel uit van de reserveringsuitgaven, waar eenvoudiger op te bezuinigen is dan bijvoorbeeld op de vaste lasten, omdat deze laatste regelmatiger terugkeren. Bij onderlinge vergelijking van de hoge inkomensklasse, stijgen de uitgaven aan kleding van de kinderen en aan voeding wιl mee met de toename van het aantal kinderen. De uitgaven aan kleding van de ouders en aan recreatie zijn bij de grotere gezinnen van vijf of meer kinderen, net als bij de lagere inkomens, lager dan bij de gezinnen met vier kinderen. Bij de hoge inkomens zijn de budgetaandelen bij vier kinderen en vijf of meer kinderen nagenoeg gelijk. Bij de lage inkomens zien we wel een verschuiving van de budgetaandelen. Bij vijf of meer kinderen stijgt het aandeel van de vaste lasten en daalt het aandeel van de reserveringsuitgaven ten opzichte van de situatie van vier kinderen. Daarnaast wordt ook bij vijf kinderen relatief minder uitgegeven aan huishoudgeld. Alle begrotingen vertonen gemiddeld een overschot. Het huishouden met 5 of meer kinderen en een laag inkomen vormt hierop een uitzondering. Dit patroon zien we ook bij de referentiebudgets voor vijf en meer personen en de hogere inkomensgroepen van het CBS. Zie hiervoor het Budgethandboek van het NIBUD 4 . Het feit dat er gemiddeld een overschot is, wil evenwel nog niet zeggen dat alle huishoudens een overschot hebben. Een deel van de huishoudens zal een tekort hebben. Er is niet na te gaan hoeveel huishoudens dit betreft. 4 NIBUD, Budgethandboek 2003, Utrecht, 2003. ________________________________________ Page 19 19 Hoofdstuk 3 Kosten van kinderen Het CBS heeft in het verleden regelmatig onderzoek gedaan naar de kosten van kinderen. Zie voetnoot 3. Van alle uitgaven die een huishouden doet, wordt dat deel afgesplitst dat is toe te schrijven aan de kinderen. Zo wordt een deel van de huur en energielasten aan de kinderen toebedeeld. Ook alle uitgaven die speciaal voor de kinderen worden gedaan (speelgoed, kinderkleding) worden aan de kinderen toegerekend. Het afsplitsten gebeurt met zogenoemde verdeelsleutels. Voor alle uitgavenposten zijn verdeelsleutels ontwikkeld. Deze methode heet de budgetverdelingsmethode. Voor een uitgebreide toelichting hierop, zie de tweede publicatie in voetnoot 3. De meest recente studie van het CBS geeft met datamateriaal van 19901995 aan dat ιιn kind gemiddeld 18% van het totaal besteedbaar inkomen kost. Twee kinderen kosten gemiddeld 26 procent en drie kinderen 33 procent. Twee kinderen in een gezin kosten per kind dus relatief minder dan ιιn kind. Bij meerdere kinderen ontstaan er schaalvoordelen. Er is wat dit betreft weinig variatie naar hoogte van het inkomen. De kosten van kinderen worden berekend voor alle kinderen samen. Verdeelsleutels die de uitgaven toerekenen aan de afzonderlijke kinderen zijn niet ontwikkeld. Een moeilijkheid is daarbij onder andere aan welk kind de schaalvoordelen moeten worden toebedeeld. De kosten zoals het CBS die heeft berekend, zijn dus de kosten voor alle inwonende kinderen totaal. Wanneer onderscheid wordt gemaakt naar de leeftijd van het oudste kind, blijkt er weinig variatie in de totale kosten te zijn als percentage van het totaal besteedbaar inkomen. In paragraaf 3.1 berekenen we de kosten van kinderen naar de leeftijd van het oudste kind. We doen dit voor gezinnen waarvan het oudste kind jonger is dan 12 jaar en voor gezinnen waarvan het oudste kind 12 jaar of ouder is. De verdeelsleutels zoals het CBS deze hanteert, gebruiken we hier ook. In bijlage II staan de verdeelsleutels die we voor deze kostenberekening hebben gehanteerd. Bij de berekening van de kosten van kinderen door het CBS worden alleen de kinderen meegenomen die thuiswonen en waarvoor de ouders kinderbijslag ontvangen. In dit hoofdstuk berekenen wij ook de kosten van vier inwonende kinderen. Dit om een vergelijking mogelijk te maken met de berekeningen van het CBS. Andere huishoudens worden hier niet meegenomen. 3.1 De kosten van kinderen naar inkomen De volgende twee tabellen hebben alleen betrekking op de respondenten met vier inwonende afhankelijke kinderen. De gemiddelde inkomsten en uitgaven staan in de tweede kolom. In de laatste kolom staan specifiek de kosten van kinderen. Op basis van de verdeelsleutels is berekend welk deel van de kosten toegerekend kan worden aan de kinderen. Tabel 10 betreft de huishoudens in de lage inkomenscategorie. Tabel 11 geeft de gemiddelden weer voor de hogere inkomens. ________________________________________ Page 20 20 Tabel 10 Inkomsten, uitgaven en kosten van vier inwonende kinderen, laag inkomen, in euro's per maand Laag inkomen Kosten van kinderen INKOMSTEN 2.532 UITGAVEN Vaste lasten Alimentatie 0 0 Huur/hypotheek 457 160 Energie 161 16 Heffingen 50 0 Telefoon (vast en mobiel) 63 15 Verzekeringen 170 42 Studiekosten, kinderopvang 100 69 Abonnementen en lidmaatschappen 100 37 Vervoer auto 229 66 Vervoer overig 48 24 Reserveringsuitgaven Kleding ouders 59 0 Kleding kinderen 115 115 Inventaris 37 17 Onderhoud huis en tuin 32 15 Extra ziektekosten 31 15 Vakantie, recreatie, uitgaan 119 82 Huishoudelijke uitgaven Huishoudgeld 581 360 Huishoudelijke hulp 5 0 Cadeaus ouders 14 0 Cadeaus kinderen 31 31 Zakgeld 17 17 Kleedgeld 8 8 Totaal 1.089 Totaal uitgaven 2.427 Kosten van kinderen: 43% van het inkomen Sparen ( 92) Aflossing ( 75) ________________________________________ Page 21 21 Tabel 11 Inkomsten, uitgaven en kosten van vier inwonende kinderen, hoog inkomen in euro's per maand Hoog inkomen Kosten van kinderen INKOMSTEN 4.318 UITGAVEN Vaste lasten Alimentatie 0 0 Huur/hypotheek 772 266 Energie 210 21 Heffingen 76 0 Telefoon (vast en mobiel) 76 17 Verzekeringen 370 88 Studiekosten, kinderopvang 133 112 Abonnementen, lidmaatschappen 133 51 Vervoer auto 344 72 Vervoer overig 115 47 Reserveringsuitgaven Kleding ouders 101 0 Kleding kinderen 148 148 Inventaris 71 33 Onderhoud huis en tuin 84 39 Extra ziektekosten 47 18 Vakantie, recreatie, uitgaan 231 154 Huishoudelijke uitgaven Huishoudgeld 731 446 Huishoudelijke hulp 20 0 Cadeaus ouders 26 0 Cadeaus kinderen 36 36 Zakgeld 28 28 Kleedgeld 14 14 Totaal 1.590 Totaal uitgaven 3.766 Kosten van kinderen: 37% van het inkomen Sparen ( 225) Aflossing ( 70) ________________________________________ Page 22 22 Wanneer we kijken naar de kosten van vier kinderen als percentage van het inkomen, komen we bij een laag inkomen op een percentage van 43 procent. Bij een hoog inkomen is het aandeel kosten van kinderen van het totale inkomen 37 procent. Ook zijn de kosten van kinderen berekend over de hele groep van huishoudens met vier inwonende kinderen, dus zonder onderscheid te maken naar inkomen. Gemiddeld bedragen dan de kosten die aan de kinderen zijn toe te rekenen 39 procent van het besteedbaar inkomen. Op dezelfde manier als voor vier inwonende kinderen, is een berekening gemaakt voor vijf inwonende kinderen, maar zonder onderscheid te maken naar inkomen. De totale kosten van kinderen voor die groep komen neer op 41 procent van het besteedbaar inkomen. Door het beperkt aantal respondenten in deze groep (49), kunnen hier verder geen betrouwbare conclusies uit getrokken worden. Deze uitkomsten liggen in de lijn van de uitkomsten van de CBS-onderzoeken. Zoals gezegd, heeft het CBS voor ιιn, twee en drie kinderen respectievelijk 18, 26 en 33 procent gevonden met datamateriaal van 1990-1995. Dat vier kinderen dan 39 procent van het totaal besteedbaar inkomen zouden kosten, past in de afnemende meerkosten van een extra kind. Wat wel enigszins verschilt met de uitkomsten van het CBS, is het feit dat het inkomen in het geval van vier kinderen wιl een belangrijke factor is: 43 procent bij lage inkomens en 37 procent bij hogere inkomens. In de CBS onderzoeken is die marge kleiner. 3.2. De kosten van kinderen naar leeftijd van het oudste kind Uit publicaties van het CBS blijkt dat de kosten van kinderen slechts beperkt afhangen van de leeftijd van de kinderen. Ouders met ιιn kind in de leeftijd van 4 tot 11 jaar besteden 16 procent van hun inkomen aan hun kind; ouders met ιιn kind van 16 of 17 jaar 21 procent. De marge is dus 5 procentpunt. Bij twee en drie kinderen is de marge 3 procentpunt. Dat betekent dus dat ouders gemiddeld ongeveer evenveel besteden aan een baby met kosten als luiers en kinderopvang, als aan een puber van 16 jaar waarvoor schoolgeld en dergelijke moet worden betaald. Uit dit onderzoek blijkt dat bij grotere gezinnen de kosten van kinderen meer afhankelijk zijn van de leeftijd. Tabel 12 geeft de kosten van vier kinderen voor gezinnen waarvan het oudste kind jonger is dan 12 jaar. In tabel 13 staan de kosten van vier kinderen voor gezinnen waarvan de kinderen 12 jaar of ouder zijn. Het gemiddelde inkomen van de twee groepen gezinnen is gelijk. Uit de tabellen blijkt dat jongere kinderen gemiddeld minder kosten dan oudere kinderen. Ouders met vier kinderen in de leeftijd tot 12 jaar besteden 35 procent van hun inkomen aan hun kinderen; ouders met vier kinderen vanaf 12 jaar 44 procent. De marge bedraagt hier dus 9 procentpunt, tegen 3 procentpunt bij gezinnen met twee of drie kinderen. hier dus 9 procentpunt, tegen 3 procentpunt bij gezinnen met twee of drie kinderen. ________________________________________ Page 23 23 Tabel 12 Inkomsten, uitgaven en kosten van vier inwonende kinderen, leeftijd van het oudste kind jonger dan 12 jaar, in euros per maand Oudste kind jonger dan 12 jaar Begroting Kosten kinderen INKOMSTEN 3328 UITGAVEN Vaste lasten Alimentatie 0 0 Huur/Hypotheek 656 213 Energie 177 18 Heffingen 57 0 Telefoon (vast en mobiel) 59 14 Verzekeringen 254 56 Studiekosten, kinderopvang 69 46 Abonnementen en lidmaatschappen 94 28 Vervoer auto 279 64 Vervoer overig 50 15 Reserveringsuitgaven Kleding ouders 76 0 Kleding kinderen 124 124 Inventaris 50 33 Onderhoud huis en tuin 62 40 Extra ziektekosten 35 8 Vakantie, recreatie uitgaan 146 97 Huishoudelijke uitgaven Huishoudgeld 618 358 Huishoudelijke hulp 7 0 Cadeaus ouders 16 0 Cadeaus kinderen 31 31 Zakgeld 9 9 Kleedgeld 0 0 Totaal 1154 Totaal uitgaven 2869 Kosten van kinderen 35% van het inkomen Sparen ( 92) Aflossing ( 66) ________________________________________ Page 24 24 Tabel 13 Inkomsten, uitgaven en kosten van vier inwonende kinderen, leeftijd oudste kind 12 jaar of ouder, in euros per maand Oudste kind 12 jaar of ouder Begroting Kosten kinderen INKOMSTEN 3328 UITGAVEN Vaste lasten Alimentatie 0 0 Huur/Hypotheek 534 192 Energie 187 19 Heffingen 62 0 Telefoon (vast en mobiel) 73 17 Verzekeringen 256 65 Studiekosten, kinderopvang 157 129 Abonnementen en lidmaatschappen 125 52 Vervoer auto 244 63 Vervoer overig 98 48 Reserveringsuitgaven Kleding ouders 85 0 Kleding kinderen 135 135 Inventaris 56 40 Onderhoud huis en tuin 54 39 Extra ziektekosten 43 22 Vakantie, recreatie uitgaan 174 116 Huishoudelijke uitgaven Huishoudgeld 653 424 Huishoudelijke hulp 16 0 Cadeaus ouders 21 0 Cadeaus kinderen 33 33 Zakgeld 33 33 Kleedgeld 27 27 Totaal 1454 Totaal uitgaven 3066 Kosten van kinderen 44% van het inkomen Sparen ( 225) Aflossing ( 69) ________________________________________ Page 25 25 Hoofdstuk 4 Overige resultaten In dit hoofdstuk worden de overige resultaten van het onderzoek gepresenteerd. Het gaat om de volgende onderwerpen: type huis en huishouden (paragraaf 4.1), financieel beheer (4.2), omgaan met geld (4.3), betalingsachterstanden (4.4), bezitsgraden, tijdsbesteding taakverdeling (4.5). Tot slot komen in 4.6 de reacties van de respondenten op een aantal stellingen aan de orde. 4.1 Huis en huishouden Nagenoeg alle huishoudens in dit onderzoek zijn tweeoudergezinnen (96 procent). Drie procent van de huishoudens zijn eenoudergezinnen met moeder. Eιn procent is een ander huishoudtype (bijvoorbeeld een situatie van co-ouderschap). Het gemiddeld aantal slaap- en hobbykamers in de woning bedraagt vijf. Gezinnen met vier of vijf kinderen hebben gemiddeld vijf slaap- en hobbykamers. De gezinnen met zes of meer kinderen hebben gemiddeld ιιn kamer meer. Door de ouders worden ιιn ΰ twee kamers gebruikt. Door de kinderen wordt gemiddeld 70 procent van het aantal beschikbare slaap- en hobbykamers gebruikt. Vanwege de gezinsgrootte hebben we een groter huis gekocht. Dat drukt echter zo sterk op onze financiλn, dat mijn vrouw twee dagen moest werken, terwijl er nog drie kinderen thuiswaren. Niet helemaal goed gecalculeerd dus. We hadden beter in dat kleinere huis kunnen blijven wonen. Daar hadden de kinderen echter (zeker met het oog op de toekomst) minder goede mogelijkheden om te studeren. Ongeveer driekwart van de respondenten geeft aan aangesloten te zijn bij een kerk of geloofsgemeenschap. De hoogst voltooide opleiding van de ouders is als volgt verdeeld. Tabel 14 Hoogst voltooide opleiding van de ouders Man Vrouw Basisonderwijs of vergelijkbaar 2% 2% MAVO/VBO of vergelijkbaar 16% 29% HAVO/VWO of vergelijkbaar 9% 19% MBO of vergelijkbaar 30% 23% HBO/Universiteit 43% 27% Er is ook gevraagd naar eventuele financieel afhankelijke uitwonende kinderen. Dit aantal varieerde van ιιn tot drie. De financiλle bijdrage aan deze uitwonende kinderen bedraagt gemiddeld 144 euro per maand per kind. ________________________________________ Page 26 26 4.2 Financieel beheer Er is gevraagd wie over welke (financiλle) zaken beslist. Is er ιιn persoon die de besluiten neemt over een bepaalde aanschaf of wordt er overlegd tussen vader, moeder en de kinderen? Kinderen hebben in bijna 40 procent van de gevallen een stem in de vakantiebestemming. In tien procent van de gevallen mogen ze meebesluiten over welke boodschappen worden gekocht. Verder zijn het vooral de vader en moeder die besluiten over de zaken die in de onderstaande grafiek staan weergegeven. Het grootste verschil tussen man en vrouw is er bij de dagelijkse boodschappen. De percentages bedragen hier respectievelijk 91 en 44 procent. Over het spaargeld beslissen mannen in meer gevallen dan vrouwen (72 en 52 procent). Ook over verzekeringen beslissen mannen vaker dan vrouwen. Uit de taakverdeling (zie ook paragraaf 3.5.2) blijkt dat mannen en vrouwen zich in ongeveer gelijke mate bezighouden met het bijwerken van de financiλn. Man en vrouw beslissen min of meer samen als het gaat om de auto, de vakantie en de aanschaf van meubilair. Grafiek 1. Wie beslist over bepaalde zaken in het huishouden? 0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100 au t o va ka nt ie ve rz ek e ri ng e n aa n sch a f m e ube ls da ge li jk s e bo o d sch a pp e n be leg g in g sp aa rg el d man vrouw kinderen niet van toepassing 4.3 Omgaan met geld 4.3.1 Sparen In dit onderzoek spaart 68 procent van de gezinnen met een vaste regelmaat. Er is geen significant verschil naar inkomen of naar totaal aantal kinderen. De verschillende huishoudens sparen ongeveer even vaak met een vaste regelmaat. Het bedrag dat gemiddeld per maand opzij wordt gelegd als men spaart, bedraagt 185 euro. Wanneer we dit uitsplitsen naar aantal kinderen in het huishouden, zien we dat huishoudens met vier kinderen per maand - als ze sparen - gemiddeld iets meer sparen dan huishoudens met vijf kinderen (respectievelijk 190 en 170 euro). Huishoudens in de categorie laag inkomen die sparen, leggen maandelijks 124 euro opzij. De hogere inkomens sparen, als er gespaard wordt, gemiddeld 253 euro per maand. ________________________________________ Page 27 27 Als belangrijkste redenen om te sparen worden de studie van de kinderen en het sparen voor grote aankopen aangegeven. 39 procent geeft aan hiervoor te sparen. Er wordt dus met name gespaard voor noodzakelijke uitgaven, niet speciaal voor leuke dingen. In de volgende tabel staan de verschillende spaardoelen op een rij. Tabel 15 Spaardoelen Spaardoel Percentage dat voor dit doel spaart Sparen voor grote aankopen 39 Sparen voor studie van kinderen 39 Niet voor een speciaal doel 30 Sparen voor pensioenvoorziening 17 Sparen voor vakantie 9 Sparen voor eigen huis 2 Sparen voor een groot feest 2 Sparen voor een ander doel 9 Andere spaardoelen die genoemd werden: spaarrekening van de kinderen; onderhoud en verbouwing eigen huis; onvoorziene uitgaven, zaken die kapot gaan; eventuele arbeidsongeschiktheid man. 4.3.2 Financieren van een grote uitgave In het onderzoek is gevraagd hoe men een onverwachte grote uitgave, zoals een wasmachine zou financieren. Driekwart van de gezinnen heeft hiervoor een bedrag op een spaarrekening staan. 18 procent geeft aan hiervoor geld te moeten lenen, 7 procent zou het product op afbetaling kopen. Wanneer we een onderscheid maken tussen de lage en de hoge inkomenscategorie, zien we dat bij de lage inkomens vaker geleend moet worden of op afbetaling wordt gekocht dan bij de hoge inkomens. De huishoudens met een hoger inkomen hebben vaker geld op een spaarrekening staan. Tabel 16 Financiering van een grote uitgave Laag inkomen 4 kinderen Laag inkomen 5 of meer kinderen Hoog inkomen 4 kinderen Hoog inkomen 5 of meer kinderen Geld op spaarrekening 69% 66% 86% 83% We moeten geld lenen 20% 21% 14% 15% We kopen op afbetaling 11% 14% 0% 0% Wanneer we apart kijken naar de verschillende huishoudgroottes, zien we geen duidelijke verschillen. ________________________________________ Page 28 28 4.3.3 Beoordeling van inkomen Iets meer dan de helft van de gezinnen (52 procent) geeft aan rond te kunnen komen van hun inkomen. De andere 48 procent zegt niet rond te kunnen komen. In de lage inkomenscategorie zegt 56 procent niet uit te komen met hun inkomen; voor de huishoudens in de hoge inkomenscategorie is dit 40 procent. Ook is gevraagd om het eigen inkomen te beoordelen. Tabel 17 geeft de resultaten. Ik heb gekozen voor 'veel' kinderen en ik zal er dan ook voor ze zijn. Dus werken om het wat breder te krijgen, is er niet bij. Ik vind warmte en liefde belangrijker dan alle luxe. Een kind leert heel veel van het feit dat er niet altijd geld is om iets te kopen. Later, wanneer ze op eigen benen staan, kunnen ze dan ook beter met hun eigen geld omgaan dan de kinderen die altijd maar krijgen wat ze willen ter compensatie van ouders die beiden werken. Tabel 17 Beoordeling totaal gezinsinkomen naar inkomenscategorie Laag inkomen Hoog inkomen Totaal Goed 11% 38% 25% Redelijk 31% 32% 31% Krap 48% 26% 37% Slecht 9% 5% 7% Bijna zes op de tien gezinnen met een laag inkomen beoordeelt het gezinsinkomen als krap tot slecht. Bij de hoge inkomens vindt ruim 30 procent dat. Gevraagd is hoe men er toch voor zorgt dat alle uitgaven betaald worden indien men niet uitkomt met zijn geld. Er waren meerdere antwoordmogelijkheden. Zie tabel 18. Als wij een tekort hebben in ons budget, gaan we gewoon even wat meer of harder werken. Tabel 18 Manieren om ondanks niet rondkomen, toch alles te kunnen betalen Er wordt geld gebruikt van de spaarrekening. 78% Er wordt een lager bedrag besteed aan posten als . 49% Een lager bedrag reserveren voor grote uitgaven 47% Geld lenen 43% Andere oplossing namelijk 37% Onderstaande posten zijn genoemd als posten waaraan een lager bedrag wordt besteed. Tussen haakjes staat het aantal keren dat deze uitgavenposten zijn genoemd. Kleding (32) Afschrijving (3) Recreatie en vakantie (19) Auto (3) Voeding (14) Telefoon (1) Onderhoud huis en tuin (11) Zakgeld (1) Inventaris (9) Energie (1) Wij hebben een gedeelde auto met een ander gezin. ________________________________________ Page 29 29 De posten waarop wordt bezuinigd, zijn met name de reserveringsuitgaven. Dit zijn geen directe uitgaven, maar onregelmatige uitgaven waarvoor in principe gereserveerd dient te worden. Men lost dus het probleem van niet rondkomen op met het bezuinigen op reserveringen. Op de lange termijn kunnen problemen ontstaan, als men ineens voor een grote uitgave komt te staan, en men niet beschikt over het benodigde bedrag. Onze kinderen zitten niet op veel verenigingen en we maken zelden een uitstapje. We hebben in Friesland een boot en een stacaravan waar we elk jaar heen gaan. Dit vinden sommige mensen een luxe. Voor ons is het heel wat goedkoper dan elk jaar een huisje of een dure vliegreis maken. De andere post waar veel op bezuinigd wordt is voeding. Men kiest voor minder luxe, voor het meer gebruik maken van aanbiedingen, of voor een goedkope supermarkt. Als andere oplossingen om toch rond te kunnen komen, worden genoemd: Kaasschaafmethode: steeds een beetje minder uitgeven Bezuinigen op het eten Meer werken door de moeder Tweedehands kopen (Tijdelijk) roodstaan Ontvangen geld van de pastor Wat ik van belang vind, is dat je een goed sociaal netwerk hebt. Dat er mensen zijn die eens bijspringen wanneer de oppas uitvalt, die je eens een tas met tweedehands kleding geven of eens een kinderfiets over hebben etc. Het lijkt me erg moeilijk om rond te komen wanneer je dit niet hebt. De respondenten is gevraagd om aan te geven welk maandinkomen ze minimaal nodig hebben om rond te kunnen komen. Dit zelf genoemde inkomen is vergeleken met het inkomen dat ze zelf als inkomen hebben opgegeven. 54 procent geeft aan een minimuminkomen nodig te hebben dat hoger ligt dan hun feitelijke inkomen. Dit percentage ligt iets hoger dan de 48 procent die zegt niet rond te kunnen komen. Waarschijnlijk kan men door te bezuinigen nog wel rondkomen, maar zou men liever meer financiλle ruimte hebben, om gemakkelijker de inkomsten en uitgaven in balans te kunnen houden. 4.4 Betalingsachterstanden Het komt het wel eens voor dat een bepaalde rekening te laat wordt betaald. Er is gevraagd aan te geven hoe vaak dit in het afgelopen jaar is gebeurd. In onderstaande tabel staan de resultaten. Het overgrote deel van de huishoudens heeft dit het afgelopen jaar niet meegemaakt. De telefoonrekening is van de onderstaande rekeningen de rekening die het vaakst te laat is betaald. Tabel 19 Aantal keren in het afgelopen jaar een rekening te laat betaald Nooit of niet van toepassing 1 keer Meerdere keren Huur/hypotheek 87% 8% 5% Aflossing lening 90% 5% 5% Energierekening 79% 10% 11% Telefoonrekening 67% 16% 17% ________________________________________ Page 30 30 Ook is gevraagd hoe vaak men een aanmaning heeft ontvangen, een deurwaarder aan de deur kreeg en een groot geldbedrag heeft moeten uitgeven. Ruim eenderde heeft meer dan ιιn keer een aanmaning gekregen. Acht procent van de grote gezinnen heeft in het afgelopen jaar een deurwaarder aan de deur gehad. Meer dan de helft (55 procent) van de respondenten heeft in de afgelopen twaalf maanden een onvoorzien bedrag moeten uitgeven. Voor de bovenstaande resultaten zijn geen verschillen gevonden tussen de inkomensklassen. Gekeken is of de achterstallige rekeningen en de gebeurtenissen aanmaning en deurwaarder bij bepaalde groepen vaker voorkomen. Deze gebeurtenissen blijken met name veel voor te komen bij de gezinnen met zes of meer kinderen. De hoogte van het inkomen heeft geen effect op de frequentie van achterstallige betalingen. Wij hebben 'maar' vier kinderen en een modaal inkomen. We zouden nog wel meer kinderen willen, maar zouden niet weten hoe we dat moeten betalen. Het is nu al moeilijk. 4.5. Bezitsgraden, tijdsbesteding en taakverdeling 4.5.1 Bezit van apparaten Om tijd te besparen in het huishoudelijk werk zijn in grote gezinnen wellicht apparaten aanwezig die in kleinere gezinnen niet aanwezig of noodzakelijk zijn. In tabel 20 staat een overzicht van de aanwezigheid van apparaten in de gezinnen die hebben deelgenomen aan het onderzoek. In de kolom ernaast staat de meest recente bekende penetratiegraad van de apparaten zoals die voor de hele populatie van huishoudens in Nederland geldt. Bij vergelijking valt op dat in grote gezinnen de penetratiegraad aanzienlijk hoger is dan gemiddeld in Nederland. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de cijfers zoals die gemiddeld in Nederland gelden, minder recent zijn en dat huishoudens met hogere inkomens ook vaker allerlei apparaten hebben. Desondanks valt te concluderen dat in grote gezinnen apparaten zeer belangrijk zijn om de veelheid aan huishoudelijke activiteiten te verminderen of te vereenvoudigen. Tabel 20 Bezit van apparaten in grote gezinnen In dit onderzoek Gemiddeld in Nederland* Diepvrieskist 77% 71% Vaatwasmachine 74% 33% Wasdroger 90% 52% Keukenmachine 52% 34%** Computer 96% 58% Naaimachine 86% 59% Bronnen: * Budgetonderzoek CBS (2000) ** EnergieNed (2000) ________________________________________ Page 31 31 Er is ook gevraagd of men andere dan de hierboven genoemde apparaten speciaal heeft aangeschaft in verband met het grote gezin. In dit kader is met name opgemerkt dat men speciaal voor het grote gezin genoodzaakt was extra grote exemplaren van de hierboven genoemde apparaten te kopen. Bijvoorbeeld een extra grote diepvriezer. Of juist een extra apparaat, omdat ιιn niet voldoende was, zoals een tweede wasmachine. De volgende andere apparaten werden genoemd. Tussen haakjes staat het aantal keren vermeld dat dit apparaat is genoemd. Magnetron (29) Groot gasfornuis (4) Broodbakmachine (15) Friteuse (4) Grote koelkast (extra) (15) Tosti-ijzer (3). Extra wasmachine (9) Videocamera (1) Grote oven (8) Breimachine (1) TV/video/DVD (6) Lockmachine (1) Extra computer (5) Tondeuse (1) Wij moeten veel kosten maken voor vervoer. We wonen op het platteland en moeten overal voor rijden: de boodschappen, de school, het werk, bezoek, sporten en ga zo maar door. Openbaar vervoer is hier geen optie en het hebben van twee auto's is duur. 4.5.2 Werken buitenshuis Meer dan 85 procent van de ondervraagde mannen werkt meer dan 32 uur per week buitenshuis, terwijl ongeveer 43 procent meer dan 40 uur per week werkt. Deze resultaten zijn niet anders dan gemiddeld in Nederland, zoals dat volgt uit het Nationaal Scholieren- onderzoek 2001-2002 van het NIBUD 5 . Bij vrouwen verschilt de situatie wel van het gemiddelde in Nederland. Vrouwen in grote gezinnen leggen zich vaker volledig toe op het verzorgen van de kinderen dan gemiddeld in Nederland. Meer dan de helft werkt helemaal niet buitenshuis (58 procent), tegenover 29 procent van de vrouwen gemiddeld in Nederland. Gemiddeld in Nederland werkt 31 procent van de moeders meer dan 20 uur per week; bij de grote gezinnen is dit slechts 13 procent. Zie ook tabel 21. De verdeling zoals deze gemiddeld in Nederland geldt, staat tussen haakjes. Wij zijn eigenlijk van mening dat minimaal een ouder thuis moet zijn als er jonge kinderen thuis zijn. Soms moet je wel werken om het gezinsinkomen op te vijzelen. Zeker nu alles zo veel duurder is geworden en ons inkomen niet is meegestegen. 5 NIBUD, Nationaal Scholierenonderzoek 2001-2002, Utrecht, 2002. ________________________________________ Page 32 32 Tabel 21 Werken buitenshuis ouders Vader werkt Moeder werkt Werkt niet 5% (8%) 58% (29%) 1-12 uur per week 1% (2%) 14% (16%) 12-20 uur per week 2% (2%) 15% (15%) 20-32 uur per week 5% (7%) 6% (20%) 32-40 uur per week 44% (42%) 5% (4%) Meer dan 40 uur per week 43% (38%) 2% (7%) Bron: De percentages tussen haakjes komen uit: Nationaal scholierenonderzoek 2001-2002, NIBUD, Utrecht 2002 4.5.3 Taakverdeling binnen het huishouden In grote gezinnen blijkt de taakverdeling behoorlijk traditioneel en zien we vaste rollenpatronen. Voor de activiteiten die in onderstaande tabel staan, dienden de respondenten over verschillende personen een honderdtal punten te verdelen voor de mate waarin de werkzaamheden in het huishouden worden gedaan. De punten konden worden toegekend aan de man, de vrouw, de kinderen en extern (bijvoorbeeld huishoudelijke hulp). In de onderstaande tabel staan de gemiddelde percentages. De vrouw doet het meest in het huishouden. Mannen hebben een relatief groot aandeel in klussen, de financiλn en in tuinieren. Met uitzondering van klussen en tuinieren, doet de vrouw in het huishouden alles frequenter dan de man. Dit komt overeen met het traditionele patroon: de man werkt buitenshuis en de vrouw draagt zorg voor de huishoudelijke taken. De kinderen hebben relatief weinig aandeel in de activiteiten, met uitzondering van tafel dekken en afruimen, wat in ruim 40 procent van de gevallen door de kinderen wordt gedaan. Tabel 22 Verdeling van huishoudelijke taken Man Vrouw Kinderen Extern Maaltijden bereiden 16% 80% 3% 1% Tafel dekken/afruimen 19% 40% 41% 0% Schoonmaken 8% 81% 3% 8% Bedden opmaken 8% 77% 12% 3% Zorg voor de kinderen 26% 73% 1% 0% Huiswerk begeleiden 32% 63% 5% 0% Tuinieren 51% 43% 4% 1% Financiλn bijwerken 48% 52% 0% 0% Klussen 67% 27% 3% 2% Wassen/drogen was 7% 90% 2% 1% Strijken/opbergen was 4% 89% 4% 3% Boodschappen doen 28% 67% 5% 0% ________________________________________ Page 33 33 Als de vrouw buitenshuis werkt, blijkt dit niet van invloed te zijn op het aantal uren dat mannen en vrouwen besteden aan huishoudelijke activiteiten. Als de vrouw buitenshuis werkt, verandert wιl de verdeling van de taken tussen man en vrouw. Wanneer de vrouw buitenshuis werkt, doet de man iets frequenter de volgende activiteiten dan wanneer de vrouw niet werkt: koken, schoonmaken en wassen. Er is een omgekeerd effect bij financiλn bijwerken. Wanneer de vrouw werkt, doet ze in meer gevallen de financiλn dan wanneer ze niet werkt. Bij de overige activiteiten is er geen noemenswaardig effect. 4.5.4 Tijdsbesteding activiteiten In de enquκte is gevraagd of het grote gezin bepaalde activiteiten in meerdere, mindere of gelijke mate denkt te doen in vergelijking tot huishoudens met minder kinderen. In de volgende tabel staat weergegeven hoe de grote gezinnen hun activiteiten beoordelen ten opzichte van kleinere huishoudens. Tabel 23 Activiteiten van grote gezinnen in vergelijking tot gezinnen met drie of minder kinderen Meer Gelijk Minder Betaalde arbeid 14% 80% 6% Uitgaan 31% 67% 2% Vakantie 31% 67% 2% Sociale relaties (vrienden, familie) 32% 66% 2% Zoeken naar koopjes 9% 77% 14% Doe-het-zelven 13% 82% 5% Kleren maken/herstellen 12% 73% 15% Spullen lenen 3% 84% 14% Kinderverzorging 9% 65% 26% Huishoudelijk werk 9% 61% 30% Boodschappen doen 4% 75% 21% Cursussen volgen 30% 66% 4% Verenigingsactiviteiten 31% 67% 3% Media (tv, radio, krant) 18% 77% 5% Het merendeel van de gezinnen ziet geen verschil in frequentie van activiteiten in vergelijking tot huishoudens met minder kinderen. Wanneer we naar de verschillen kijken, dan zijn het voornamelijk de activiteiten buiten het eigen huishouden die relatief hoog scoren op 'Meer'. Dat geldt bijvoorbeeld voor: uitgaan, vakantie, sociale relaties, cursussen volgen en verenigingsactiviteiten. Iets meer dan een kwart van de huishoudens geeft aan, in vergelijking met huishoudens met minder kinderen, minder vaak bezig te zijn met interne activiteiten zoals kinderverzorging en huishoudelijk werk. ________________________________________ Page 34 34 Van die activiteiten waar men wel een verschil ziet in vergelijking tot kleinere gezinnen, is een uitsplitsing gemaakt naar aantal kinderen van het huishouden (inwonende kinderen en financieel afhankelijke uitwonende kinderen samen). Te concluderen valt dat naarmate er meer kinderen zijn, sociale activiteiten in een hogere frequentie worden ontplooid. Hoe groter het gezin, hoe meer sociale activiteiten men ontplooit. Ouders raken door activiteiten van hun kinderen betrokken bij het verenigingsleven en ontmoeten sociale relaties via hun kinderen. Tabel 24 Percentage gezinnen dat aangeeft meer tijd te besteden aan activiteiten in vergelijking tot kleinere gezinnen naar gezinsgrootte 4 kinderen 5 kinderen 6 kinderen of meer Uitgaan 22% 39% 46% Vakantie 20% 37% 52% Sociale relaties (vrienden, familie) 22% 39% 46% Cursussen volgen 26% 35% 36% Verenigingsactiviteiten 21% 39% 45% Tabel 25 Percentage gezinnen dat aangeeft minder tijd te besteden aan activiteiten in vergelijking tot kleinere gezinnen naar gezinsgrootte 4 kinderen 5 kinderen 6 kinderen of meer Kinderverzorging 30% 19% 27% Huishoudelijk werk 23% 26% 48% 4.6 Overige resultaten Tot slot bevatte de vragenlijst nog een aantal stellingen over diverse aspecten van het grote gezin. Uit de resultaten blijkt dat grote gezinnen met name wensen hebben in de richting van de overheid. Grote gezinnen vinden dat de samenleving niet ingesteld is op grote gezinnen en dat ze best meer financiλle steun zouden mogen krijgen van de overheid. Dit werd door de respondenten ook veelvuldig opgemerkt naar aanleiding van de vragenlijst. Kinderen zijn enerzijds een zaak van de ouders zelf en dus ook hun financiλle verantwoordelijkheid. Anderzijds is het demografisch gezien van belang dat er kinderen blijven komen en dat is derhalve ook in het belang van de overheid. De huidige kinderbijslag zou dus verhoogd moeten worden voor gezinnen tot maximaal drie kinderen. Wie meer kinderen (doorgaans bewust) neemt, moet ook de consequenties hiervan aanvaarden. Door bijna driekwart van de gezinnen wordt aangegeven dat het grote gezin een bewuste keuze is. Wanneer we een vergelijking maken tussen gezinnen die wel gelovig zijn en gezinnen die dat niet zijn, zien we geen verschil. ________________________________________ Page 35 35 Het krijgen van kinderen zou moeten worden gestimuleerd. Verder moeten moeders (of vaders) met kinderen de mogelijkheid houden om thuis te blijven en voor de opvoeding van de kinderen te kiezen, als zij dat om pedagogische en/of religieuze redenen willen. Tabel 26 Percentage dat het eens of oneens is met de volgende stellingen Eens Oneens Geen mening Er zijn te weinig betaalbare huizen voor gezinnen met veel kinderen 82% 9% 9% Een groot gezin kies je bewust 73% 24% 3% Een groot gezin is per persoon goedkoper dan een klein gezin 54% 36% 10% De samenleving is niet ingesteld op grote gezinnen 81% 12% 7% Kinderen in grote gezinnen leren van elkaar 98% 1% 1% Grote gezinnen zouden meer financiλle steun moeten ontvangen van de overheid 76% 18% 6% Een groot gezin is altijd gezellig 58% 34% 8% Bij een groot gezin is het huishouden beter georganiseerd dan bij een klein gezin 51% 30% 20% Ouders kunnen best beiden werken als het jongste kind: 1 jaar is 11% 75% 14% 3 jaar is 14% 72% 14% 5 jaar is 34% 54% 13% 10 jaar is 41% 43% 16% 15 jaar is 59% 23% 18% In het kader van de opvoeding van de kinderen kunnen beide ouders niet fulltime werken. Wij vinden dat kinderen een thuis moeten hebben en derhalve niet afhankelijk moeten zijn van opvang elders. Tabel 27 Percentage dat het eens is met de stelling Gezin 4 kinderen Gezin 5 kinderen Gezin 6 of meer kinderen Er zijn te weinig betaalbare huizen voor gezinnen met veel kinderen 79% 81% 89% Een groot gezin kies je bewust 73% 80% 66% Een groot gezin is per persoon goedkoper dan een klein gezin 46% 54% 73% De samenleving is niet ingesteld op grote gezinnen 74% 87% 92% Kinderen in grote gezinnen leren van elkaar 96% 98% 100% Grote gezinnen zouden meer financiλle steun moeten ontvangen van de overheid 73% 70% 88% Een groot gezin is altijd gezellig 48% 63% 77% Bij een groot gezin is het huishouden beter georganiseerd dan bij een klein gezin 43% 49% 72% Hoe meer kinderen in het gezin, des te vaker men aangeeft dat de samenleving niet is ingesteld op grote gezinnen en dat grote gezinnen financiλle steun zouden moeten ontvangen van de overheid. Ook wordt door de gezinnen met veel kinderen het grote gezin vaker gezien ________________________________________ Page 36 36 als gezellig en beter georganiseerd en worden vaker de schaalvoordelen van een groot gezin gezien dan bij gezinnen met minder kinderen. Kinderen neem je niet, kinderen krijg je. En een groot gezin kan heel gezellig zijn, maar is niet altijd gezellig. Net zo min als een klein gezin dat niet altijd is. Als groot eenoudergezin is het niet makkelijk om rond te komen in deze samenleving. De zorg voor de kinderen is groter dan voor ιιn of twee kinderen en vraagt van de oudere kinderen in het gezin een stuk verantwoordelijkheid die ze soms niet willen nemen of niet aankunnen. Verder blijkt dat het merendeel van de ouders vindt dat niet beide ouders kunnen werken als het jongste kind jonger is dan vijf jaar. Is het jongste kind 15 jaar, dan vindt nog een kwart dat niet beide ouders kunnen werken. Wanneer we afzonderlijk kijken naar de mening over de stelling of beide ouders kunnen werken als het jongste kind een bepaalde leeftijd heeft bereikt en we dit afzetten tegen de gezinsgrootte zien we het volgende beeld. Tabel 28 Percentage dat het eens is met de stelling, naar aantal kinderen in het huishouden Ouders kunnen best beiden werken als het jongste kind: Gezin 4 kinderen Gezin 5 kinderen Gezin 6 kinderen 1 jaar is 15% 14% 0% 3 jaar is 21% 14% 0% 5 jaar is 42% 29% 20% 10 jaar is 53% 29% 27% 15 jaar is 67% 56% 45% Hieruit blijkt dat naarmate een huishouden meer kinderen heeft, ιιn van de ouders zich vaker toelegt op de verzorging van de kinderen dan bij kleinere gezinnen. Zelfs als het jongste kind 15 jaar is, zegt bijna de helft van de respondenten met zes of meer kinderen dat niet beide ouders kunnen werken. ________________________________________ Page 37 37 Hoofdstuk 5 Budgetverdeling De uitgaven zijn groter bij een groot gezin, maar de inkomsten gelijk aan die van gezinnen met minder kinderen. In deze paragraaf maken we een vergelijking tussen de bestedingen van grote gezinnen uit dit onderzoek en gezinnen met vijf personen. Er worden weer drie groepen onderscheiden: gezinnen met vier kinderen, met vijf kinderen en gezinnen met zes of meer kinderen. Dit kunnen zowel inwonende als financieel afhankelijke uitwonende kinderen zijn. In de hiernavolgende tabel staan voor verschillende gezinsgroottes de budgetaandelen weergegeven. Ter vergelijking staan in de eerste kolom de budgetaandelen van een huishouden met vijf personen, vergelijkbaar met twee ouders en drie kinderen. Deze referentiecijfers zijn afkomstig uit het Budgetonderzoek 2000 van het CBS. Dit is het meest recente beschikbare onderzoek. Er zijn geen referentiecijfers beschikbaar van grotere huishoudens. Voor mezelf weet ik wel dat aan een groot gezin beslist een prijskaartje hangt. Hoewel wij leven met zes personen van anderhalf inkomen en ik vind dat we toch een redelijk inkomen hebben. In de vaste lasten zitten we zo hoog dat we echt zuinig aan moeten doen. ________________________________________ Page 38 38 Tabel 29 Budgetaandelen van de uitgaven naar gezinsgrootte 5 personen* (CBS) 4 kinderen 5 kinderen 6 kinderen of meer Vaste lasten Alimentatie - 0,1 0 1,1 Huur/hypotheek 11,7 19,2 20,6 19,1 Energie 4,5 6,0 7,0 6,4 Heffingen 1,6 2,0 2,2 2,1 Telefoon (vast en mobiel) 1,8 2,3 2,3 2,0 Verzekeringen 5,4 8,3 9,5 8,9 Schoolkosten/kinderopvang 3,4 4,6 3,5 4,3 Abonnementen en lidmaatschappen 3,3 3,7 3,8 4,5 Vervoer 14,2 11,2 10,0 11,4 Bijdrage aan uitwonende kinderen - 0,4 1,0 0,9 Totaal vaste lasten 45,9 57,8 59,9 60,7 Reserveringsuitgaven Kleding 9,7 6,8 5,8 5,6 Inventaris 6,6 1,7 1,4 1,6 Onderhoud huis en tuin 1,8 1,8 1,4 1,8 Extra ziektekosten 1,2 1,3 1,3 1,3 Recreatie, vakantie, uitgaan 11,5 5,5 5,2 3,7 Totaal reserv. uitgaven 30,8 17,1 15,1 14,0 Huishoudelijke uitgaven Huishoudgeld Gek op kleding, ook tweedehands ? Kleding winkel ketenvandemaand Nieuws over import van kleding Onderzoek naar grote gezinnen en kosten kleding
|